Schijngestalten
In mijn verleden zijn vele mensen de revue gepasseerd, en de meeste van die mensen waren gewone mensen als u en ik. Door hun eerlijkheid lieten ze zien wie ze werkelijk waren, waardoor ik hun aanwezigheid zeer kon waarderen. Maar daar waar eerlijke mensen zich bevinden zijn helaas ook mensen te vinden die door hun schimmige bestaan in mijn ogen niet veel meer dan schijngestalten zijn, waardoor ze niet alleen zichzelf maar ook mij buitenspel hebben gezet in een samenleving die steeds harder en harder werd.
De mensen die ik nu schijngestalten noem hebben er alles aan gedaan om mij op een dwaalspoor te zetten, en daarnaast lieten ze mij figuurlijk gezien ook nog eens met enige regelmaat struikelen over de voor mij onzichtbare, maar zeker voelbare obstakels die ze met een totaal misplaatste trots op mijn levenspad hadden gelegd. Wat de schijngestalten echter niet door hadden was dat ik juist daar alleen maar sterker door werd, ook al leek dat in eerste instantie niet het geval te zijn want ik verweerde mij niet, ik reageerde niet, ik deed er het zwijgen toe, en ik kroop als een schuchter kind in een hoekje waarin ik hoopte dat de schijngestalten, die zich als dieven in de nacht voortbewogen, mij niet zouden vinden zodat ze mij niet met hun vreemde handen en ideeën aan zouden kunnen raken.
Door de pesterijen die ik van de schijngestalten te verduren kreeg veranderde ik van een jongetje die midden in het leven stond, in een jongetje die met een voor een kind veel te kritisch oog naar datgene wat zich rondom hem afspeelde keek, en dat zorgde er op zijn beurt weer voor dat de in mij sluimerende autistische aandoening(PDD-NOS)zich steeds meer begon te openbaren, maar dat had ik toen uiteraard nog niet in de gaten.
De schijngestalten gingen maar door met hun pesterijen jegens mij waardoor ik, zonder dat ik het zelf in de gaten had, steeds frequenter een muur om mij heen begon te bouwen waardoor ik mij steeds meer van de wereld en de mensen die zich om mij heen begaven, af begon te sluiten. Mijn ouders hadden daar zeer veel moeite mee, waardoor hun stille verdriet die in hun ogen en in hun ziel lag, voor mijn zus en voor mijn familie steeds duidelijker zichtbaar werd, want mijn ouders voelden allebei een grote liefde voor mij, maar ze wisten niet wat ze met de ontstane situatie aanmoesten, en ik, ik voelde alleen maar haat die mij steeds meer in beslag nam, en mij steeds meer verteerde, waardoor de schijngestalten aan de winnende hand leken te zijn.
Doordat ik mij steeds meer begon te isoleren liep ik op school een leerachterstand op die naar het leek Bijbelse proporties aan had genomen, want ik was niet meer in staat om de aandacht bij de leerstof te houden, ik was niet meer in staat om de aandacht überhaupt nog bij iets of iemand te houden waardoor ik steeds meer de draad kwijt dreigde te raken, waardoor ik mijn leven op een gegeven moment niet meer leuk vond. Ik probeerde er alles aan te doen om de schijngestalten van mij weg te houden, ik gaf er al mijn kracht aan om dat te bereiken, maar de schijngestalten leken sterker dan ik te zijn waardoor ik diep in mijn ziel steeds wanhopiger werd. Dat zorgde ervoor dat ik steeds meer naar mijn eigen wereld af dreigde te zakken, en ik kan je zeggen dat die wereld geen mooie wereld was.
Mijn eigen wereld was toen voornamelijk gevuld met zeer angstige voorgevoelens, complete apathie en stemmen die mij zeer veel ellende voorspelden. Maar tóch verzette ik mij mondjesmaat steeds meer want ik wilde vooral een kind zijn die met vertrouwen de toekomst in ging, ik wilde een kind zijn die onbezorgd kon spelen met andere kinderen, ik wilde hoe dan ook lekker in mijn vel zitten, ik wilde hoe dan ook lekker mijzelf zijn, mentaal sterker worden, én de schijngestalten achter mij laten.
De schijngestalten bleven bij mij om mij ongenadig op te jagen naar een punt van complete waanzin en zelfdestructie, maar naarmate ik ouder werd groeide in mij de kracht om de schijngestalten het hoofd te bieden want ik begon mij steeds meer en krachtiger te verweren, ik begon steeds feller op hun pesterijen te reageren, ik werd steeds mondiger, én ik kroop steeds meer uit mijn beschermende hoekje om zo nu en dan een paar rake klappen aan de schijngestalten uit te delen, waardoor snel duidelijk werd dat de schijngestalten alleen maar lafaards waren die zichzelf door hun pestende gedrag een houding aan probeerden te meten, waardoor ze ongewild aan mij lieten zien dat juist zij hulp nodig hadden.
En nu, nu ik een vijftig-plusser ben, zie ik zo af en toe nog wel eens een paar van mijn vroegere pestende schijngestalten terug. Vaak zeg ik dan in mijn gedachten dat ze in mijn ogen een stelletje ongelofelijke klootzakken zijn, die eigenlijk verbannen zouden moeten worden. Vaak zeg ik dan in mijn gedachten dat zij een pijnlijke vergissing zijn, maar als ik dan zie hoe ze er aan toe zijn denk ik ook vaak dat juist zij de zwakkelingen zijn, en dat ik altijd sterker dan de schijngestalten zal zijn, en met die gedachte in mijn hoofd loop ik dan, zonder ook maar een woord aan hen te spenderen, met een brede glimlach op mijn mond maar naar mijn appartement.
De mensen die ik nu schijngestalten noem hebben er alles aan gedaan om mij op een dwaalspoor te zetten, en daarnaast lieten ze mij figuurlijk gezien ook nog eens met enige regelmaat struikelen over de voor mij onzichtbare, maar zeker voelbare obstakels die ze met een totaal misplaatste trots op mijn levenspad hadden gelegd. Wat de schijngestalten echter niet door hadden was dat ik juist daar alleen maar sterker door werd, ook al leek dat in eerste instantie niet het geval te zijn want ik verweerde mij niet, ik reageerde niet, ik deed er het zwijgen toe, en ik kroop als een schuchter kind in een hoekje waarin ik hoopte dat de schijngestalten, die zich als dieven in de nacht voortbewogen, mij niet zouden vinden zodat ze mij niet met hun vreemde handen en ideeën aan zouden kunnen raken.
Door de pesterijen die ik van de schijngestalten te verduren kreeg veranderde ik van een jongetje die midden in het leven stond, in een jongetje die met een voor een kind veel te kritisch oog naar datgene wat zich rondom hem afspeelde keek, en dat zorgde er op zijn beurt weer voor dat de in mij sluimerende autistische aandoening(PDD-NOS)zich steeds meer begon te openbaren, maar dat had ik toen uiteraard nog niet in de gaten.
De schijngestalten gingen maar door met hun pesterijen jegens mij waardoor ik, zonder dat ik het zelf in de gaten had, steeds frequenter een muur om mij heen begon te bouwen waardoor ik mij steeds meer van de wereld en de mensen die zich om mij heen begaven, af begon te sluiten. Mijn ouders hadden daar zeer veel moeite mee, waardoor hun stille verdriet die in hun ogen en in hun ziel lag, voor mijn zus en voor mijn familie steeds duidelijker zichtbaar werd, want mijn ouders voelden allebei een grote liefde voor mij, maar ze wisten niet wat ze met de ontstane situatie aanmoesten, en ik, ik voelde alleen maar haat die mij steeds meer in beslag nam, en mij steeds meer verteerde, waardoor de schijngestalten aan de winnende hand leken te zijn.
Doordat ik mij steeds meer begon te isoleren liep ik op school een leerachterstand op die naar het leek Bijbelse proporties aan had genomen, want ik was niet meer in staat om de aandacht bij de leerstof te houden, ik was niet meer in staat om de aandacht überhaupt nog bij iets of iemand te houden waardoor ik steeds meer de draad kwijt dreigde te raken, waardoor ik mijn leven op een gegeven moment niet meer leuk vond. Ik probeerde er alles aan te doen om de schijngestalten van mij weg te houden, ik gaf er al mijn kracht aan om dat te bereiken, maar de schijngestalten leken sterker dan ik te zijn waardoor ik diep in mijn ziel steeds wanhopiger werd. Dat zorgde ervoor dat ik steeds meer naar mijn eigen wereld af dreigde te zakken, en ik kan je zeggen dat die wereld geen mooie wereld was.
Mijn eigen wereld was toen voornamelijk gevuld met zeer angstige voorgevoelens, complete apathie en stemmen die mij zeer veel ellende voorspelden. Maar tóch verzette ik mij mondjesmaat steeds meer want ik wilde vooral een kind zijn die met vertrouwen de toekomst in ging, ik wilde een kind zijn die onbezorgd kon spelen met andere kinderen, ik wilde hoe dan ook lekker in mijn vel zitten, ik wilde hoe dan ook lekker mijzelf zijn, mentaal sterker worden, én de schijngestalten achter mij laten.
De schijngestalten bleven bij mij om mij ongenadig op te jagen naar een punt van complete waanzin en zelfdestructie, maar naarmate ik ouder werd groeide in mij de kracht om de schijngestalten het hoofd te bieden want ik begon mij steeds meer en krachtiger te verweren, ik begon steeds feller op hun pesterijen te reageren, ik werd steeds mondiger, én ik kroop steeds meer uit mijn beschermende hoekje om zo nu en dan een paar rake klappen aan de schijngestalten uit te delen, waardoor snel duidelijk werd dat de schijngestalten alleen maar lafaards waren die zichzelf door hun pestende gedrag een houding aan probeerden te meten, waardoor ze ongewild aan mij lieten zien dat juist zij hulp nodig hadden.
En nu, nu ik een vijftig-plusser ben, zie ik zo af en toe nog wel eens een paar van mijn vroegere pestende schijngestalten terug. Vaak zeg ik dan in mijn gedachten dat ze in mijn ogen een stelletje ongelofelijke klootzakken zijn, die eigenlijk verbannen zouden moeten worden. Vaak zeg ik dan in mijn gedachten dat zij een pijnlijke vergissing zijn, maar als ik dan zie hoe ze er aan toe zijn denk ik ook vaak dat juist zij de zwakkelingen zijn, en dat ik altijd sterker dan de schijngestalten zal zijn, en met die gedachte in mijn hoofd loop ik dan, zonder ook maar een woord aan hen te spenderen, met een brede glimlach op mijn mond maar naar mijn appartement.
Reacties
Een reactie posten